Brochure

 

Over het Rubinstein-Taybi Syndroom

Het woord 'syndroom' is een medische term die wordt gebruikt om aan te duiden dat uiterlijke kenmerken, beperkingen in de ontwikkeling en medische bijzonderheden door eenzelfde (genetische) oorzaak zijn ontstaan.

In 1963 beschreven de kinderarts Jack Rubinstein en de röntgenoloog Hooshang Taybi een aantal karakteristieke kenmerken die bij zeven kinderen hetzelfde waren. Naast een verstandelijke en motorische beperking, waren deze kinderen relatief klein, hadden ze karakteristieke gelaatstrekken, brede grote tenen en brede duimen. Daarom noemden ze dit het 'brede duimen syndroom'. Later is het syndroom naar de twee artsen vernoemd. De afkorting voor het Rubinstein-Taybi Syndroom is RTS.

RTS komt overal ter wereld voor en de verdeling tussen jongens en meisjes is gelijk. Het syndroom is zeer zeldzaam en komt maar bij één op de 100.000 tot 125.000 geboorten voor. In Nederland komt dit overeen met één of twee kinderen per jaar. In totaal zijn er ongeveer 85 mensen in Nederland van wie bekend is dat ze RTS hebben.

Oorzaak

Om de oorzaak van RTS uit te leggen, is wat kennis nodig over het menselijk lichaam en hoe dat op het kleinste niveau is opgebouwd.

Mensen zijn opgebouwd uit miljarden cellen en in alle cellen bevindt zich genetische informatie die onder andere bepaalt hoe je eruitziet. RTS wordt veroorzaakt door een verandering in de genetische informatie.

Genetische informatie is vastgelegd in DNA. DNA vormt stukjes code, zogenaamde genen. Elk gen staat voor een bepaald kenmerk. DNA, en dus al onze genetische informatie, bevindt zich in alle celkernen van ons lichaam in de vorm van chromosomen. Eén chromosoom bevat minstens honderden en soms duizenden genen. Chromosomen zijn heel klein en alleen met een microscoop te zien.

Mensen hebben normaal gesproken 46 chromosomen die je kunt ordenen in 23 paren van dubbele chromosomen. Deze paren zijn genummerd van 1 tot en met 22. Het 23e paar noemen we de geslachtschromosomen. Deze worden aangeduid met de letters X en Y. Zowel mannen als vrouwen hebben 22 paar dubbele chromosomen en één paar geslachtschromosomen. De mannelijke geslachtschromosomen bestaan uit één X- en één Y-chromosoom. De vrouwelijke geslachtschromosomen bestaan uit twee X-chromosomen.

Alle cellen van het lichaam bevatten dezelfde informatie. Dit komt omdat bij een deling van de cel alle chromosomen worden gekopieerd voordat de cel zich in tweeën deelt. Er gebeurt iets speciaals wanneer cellen zich opdelen tot zaadcel of eicel. Dan worden tijdens een deling het aantal chromosomen gesplitst, zodat de helft van de chromosomen terecht komt in elk van de zaad- en eicellen.

Een zaadcel bestaat uit 22 enkele chromosomen en één X- of één Y-chromosoom. Een eicel bestaat uit 22 enkele chromosomen en één X-chromosoom. Wanneer een zaadcel en eicel bij een bevruchting weer bij elkaar komen, bestaat de nieuwe cel weer uit 22 dubbele chromosomen en twee geslachtschromosomen. Deze ene cel zal zich steeds weer delen en uiteindelijk ontstaat hieruit een nieuw mens.

Wanneer er iets op één chromosoom is veranderd en de cel zich gaat delen, wordt ook deze verandering gekopieerd. Zodoende bevat elke cel van het lichaam uiteindelijk dezelfde verandering. Dit geldt ook voor mensen met RTS. Het is niet bekend hoe het gebeurt, maar bij RTS is meestal een stukje van chromosoom 16 of soms van chromosoom 22 niet aanwezig, niet op de juiste plaats aanwezig of niet af te lezen om gekopieerd te kunnen worden.

Genetisch onderzoek

Wanneer een arts vermoedt dat een kind RTS heeft, kan genetisch onderzoek plaatsvinden. Een gewoon chromosomenonderzoek is niet afdoende, omdat er dan meestal niets wordt gevonden bij iemand die RTS heeft.

De arts zal daarom aan het laboratorium vragen om een speciaal onderzoek te doen. De medische term hiervoor is 'FISH'. Dit staat voor 'fluorescentie in situ hybridisatie'. Hiermee kan bij ongeveer tien procent van de kinderen met RTS worden gevonden dat er een klein stukje van chromosoom 16 ontbreekt. Dit noemt men een microdeletie 16p13. Microdeletie betekent 'kleine weglating'. Deze zelfde microdeletie kan ook gevonden worden met andere technieken, zoals micro-array, welke tegenwoordig meer gebruikt wordt.

Als met het chromosomenonderzoek niets wordt gevonden, kan nog moleculair onderzoek worden gedaan. Dit onderzoek is duur en wordt daarom alleen gedaan als de verdenking van RTS groot is en er ook nog andere, speciale redenen voor zijn. Met dit onderzoek wordt gezocht naar een nog kleinere afwijking in het DNA op locatie 16p13. Bij ongeveer 55 procent van de onderzochte personen wordt deze afwijking gevonden.

Naast de afwijkingen op chromosoom 16 is in de afgelopen jaren duidelijk geworden dat bij mensen met RTS ook afwijkingen aan chromosoom 22 (op locatie 22q13) kunnen voorkomen. De afwijking op het chromosoom kan heel klein zijn. Daarom wordt bij maar ongeveer 65 procent van de kinderen de diagnose op basis van genetisch onderzoek bevestigd. Bij de andere 35 procent is op dit moment geen enkele afwijking te vinden, terwijl er toch sprake kan zijn van RTS. De reden hiervoor is (nog) niet bekend. Wanneer het genetisch onderzoek niet uitwijst dat er sprake is van RTS kan op basis van de uiterlijke kenmerken de klinische diagnose RTS worden gesteld.

Er kan ook bij een kind een ontwikkelingsachterstand bestaan, en de arts heeft op basis van de uiterlijke kenmerken geen idee om welke aandoening het gaat. Dan kan met één onderzoek alle genen onderzocht worden waarvan bekend is dat ze een ontwikkelingsachterstand geven. Dit onderzoek heet ‘Whole exome Sequencing’. Zo kunnen ook veranderingen gevonden worden in de twee genen die RTS veroorzaken.

Erfelijkheid

Artsen hebben onderzocht of een afwijking aan chromosoom 16 of 22 bij ouders of andere familieleden van kinderen met RTS voorkomt. Dit is maar heel zelden het geval. De kans is groot dat de afwijking op spontane wijze ontstaat bij het kind. Dit klopt met de ervaringen uit de praktijk. Er zijn wereldwijd maar enkele families bekend waarin meer dan één kind met RTS voorkomt. De kans dat in één gezin een tweede kind met RTS wordt geboren is erg klein. Wanneer iemand met RTS zelf een kind zou krijgen, is de kans groot dat het syndroom wordt doorgegeven: deze is 45-50 procent.

Ouders of andere familieleden die willen weten of zij afwijkingen aan chromosomen hebben die lijken op de RTS-afwijkingen, kunnen dit laten onderzoeken via hun huisarts.