Brochure

 

Verstandelijke ontwikkeling

Net als bij veel andere syndromen verschillen de verstandelijke vermogens behoorlijk bij mensen met RTS. Het verstandelijke niveau kan variëren van een matige tot een ernstige verstandelijke beperking. De één functioneert op een relatief hoog niveau en is minder afhankelijk van begeleiding op latere leeftijd. De ander functioneert op een lager niveau en heeft blijvend dagelijks intensieve begeleiding nodig. Deze verschillen zijn zowel bij jongens als meisjes met RTS aanwezig.

De ontwikkeling van de verstandelijke vermogens verloopt niet harmonieus. Dat wil zeggen dat sommige verstandelijke vermogens zich beter ontwikkelen dan andere.

Taal en spraak

De spraakontwikkeling komt bij kinderen met RTS vrij laat op gang. De meeste kinderen met RTS begrijpen vaak meer dan zij met gesproken taal kunnen uiten. Dit wordt dysfasie genoemd. Gemiddeld genomen zeggen kinderen met RTS tussen het tweede en vierde jaar hun eerste woordjes en zinnetjes. Soms vindt de ontwikkeling van spraak op latere leeftijd plaats.

Ingewikkelde taalvaardigheden, zoals het maken en uitspreken van zinnen, is voor kinderen met RTS vaak moeilijker dan de eenvoudige taalvaardigheden, zoals het begrijpen en gebruiken van woorden. Met het uitspreken van woorden hebben ze vaak wel moeite. Tot op latere leeftijd zijn kinderen in staat om veel woorden te leren herkennen.

Aangezien kinderen met RTS woorden wel goed kunnen begrijpen en herkennen, kunnen andere vormen van communicatie (bijvoorbeeld pictogrammen of gebarentaal) helpen bij het communiceren met anderen. Preverbale logopedie houdt zich ook bezig met alternatieve vormen van communicatie en kan bij het leren communiceren goede ondersteuning bieden.

Geheugen

RTS'ers hebben met name een zwak kortetermijngeheugen. Dit wordt ook wel werkgeheugen genoemd. Bij het aanleren of inprenten van informatie is het vooral belangrijk dat de informatie in kleine porties wordt aangeboden. Teveel informatie tegelijkertijd of achter elkaar leidt meestal tot overbelasting. Zowel kinderen als volwassenen met RTS hebben vaak een beperkte aandachtscapaciteit, waardoor het moeilijker is om informatie voor een korte periode te onthouden. Informatie onthouden gaat vaak beter wanneer deze herkenbaar en concreet is.

RTS'ers hebben vaak een sterk langetermijngeheugen voor alledaagse dingen. Echter, het aanleren van deze informatie gaat op een andere manier dan bij mensen zonder verstandelijke beperking. Uiteindelijk komt de informatie er wel, maar deze lijkt een hele lange omweg te moeten maken. Spelenderwijs oefenen met verschillende geheugenspelletjes zoals Memory houdt het werkgeheugen actief en kan helpen om informatie beter op te slaan in het langetermijngeheugen.

Fijne motoriek

De fijn-motorische vaardigheden liggen vaak op een lager niveau dan bij personen zonder RTS. Dit kan te maken hebben met een minder goed ontwikkelde oog-handcoördinatie, maar kan ook worden veroorzaakt door een afwijkende stand van de duimen. Dit kan problemen opleveren bij de zelfredzaamheid.

Bij sommige personen is er sprake van een afwijkende stand van de duimen. Hierdoor is de pincetgreep (iets kleins pakken tussen duim- en wijsvinger) moeilijker te beheersen. Alledaagse handelingen, zoals zichzelf aan- en uitkleden, kunnen om die reden moeilijker verlopen. Een operatie op jonge leeftijd kan de duimstand corrigeren, zodat de pincetgreep goed kan worden aangeleerd.

Gedrag

De meeste kinderen en volwassenen met RTS hebben een vriendelijke en warme persoonlijkheid. Hierdoor maken ze vaak gemakkelijk contact. Echter, de sociale grenzen zijn voor sommigen minder duidelijk dan voor anderen. Deze onduidelijkheid kan één van de oorzaken zijn voor problemen die soms in het gedrag kunnen ontstaan.

De gedragsproblemen bij RTS kunnen kenmerken van autisme bevatten. Hieronder vallen:

  • Moeite hebben met het beheersen van emoties en verandering in dagelijkse situaties.
  • Snel afgeleid zijn.
  • Dwangmatig en herhalend gedrag vertonen.

Volwassenen met RTS kunnen in hun gedrag veranderen en het moeilijker vinden om met veranderingen om te gaan. Bij gedragsproblemen is het raadzaam om na te gaan wat de mogelijke oorzaken van het ongewenste gedrag kunnen zijn. Wanneer dit duidelijk is, kan het onwenselijke gedrag vaak op een meer effectieve wijze worden omgebogen naar meer wenselijk gedrag. Een vaste structuur in het dagelijks leven kan hier aanzienlijk aan bijdragen. Ook kunnen orthopedagogen en MEE goede hulp bieden bij het analyseren en oplossen van de gedragsproblemen.